"Vele mensen zijn bij de Stille Plantage geweest, en hebben de woestenij gezien, deze kostelijke woestenij van planten die groeien over planten, van bomen die nieuwe bomen overschaduwen, eiken beladen met wuivende tuinen. Zij hoorden het kwinkeleren van klein gevogelte dat nooit verschrok door luide mensenstemmen. Jonge apen buitelden van vreugde, een oude riep met de galm van een sirene; ver achter klaterde het water toen paradijsvogels speelden met jonge eekhoorns, en het strakke blauw in zuilen licht omlaag kwam tussen bruine stammen. Oerwoud, wildernis, woestenij. Niemand wist dat hier ooit, voor lange jaren, de Stille Plantage geweest was.

Maar stilte was er nog. De zoemende stilte van vele geluiden die het zwijgen zijn der natuur, die 't grote zwijgen zijn van deze kinkhoorn binnen ons. En op een late middag, toen de schaduw van een palm als altijd schuw zijn weg zocht naar de brede voeten van een groenhartboom, zijn al de vogels neergezwermd: de schuwe die herinnering heet, de al te trage van de weemoed, de zwarte die fluistert: 'nu is 't zo niet meer' , en de andere die altijd cirkelen rondom hoge kruinen; wie ze ooit zag, geneest niet meer van het heimwee naar een onvindbaar huis. Ze streken neer, ieder op hun eigen tak, en andere op de grond, die nog het droefste kirden. De spechten sloegen met lange tikken; nooit speelde een xylofoon zo schoon. De pelikanen bewogen langzaam hun koppen; het was als een droom."

uit: De Stille Plantage. Albert Helman, 1931.

Albert Helman




Plantage Alkmaar
Het dorp Alkmaar ligt aan de Commewijne rivier. In Sranan wordt Alkmaar Goedoefrow genoemd, naar de vroegere eigenaar van de plantage, Godefroy. Het werd een centrum van EBG-zending (Hernhutters) onder de Hindostanen. In 1918/1919 stichtte de zendingspredikant P.M. Legêne met steun van de Deense Lutherse zendingsvereniging het kinderweeshuis Sukh Dhaam voor Hindostaanse kinderen.
(bron: Universiteit van Amsterdam)




Plantage Leonsberg
Het middelste gebouw is de cacaoloods. Platte houten wagens konden op rails hier naar binnen en buiten gereden worden. Hierop werden de bonen in de zon gedroogd en gekeerd. 's Nachts en bij regen werden de wagens naar binnen gereden. De bovenverdieping van dit gebouw werd gebruikt als droog- en bewaarplaats. Leonsberg bereikt men door via de Anton Dragtenweg vanuit het centrum van Paramaribo noordwaarts te reizen. Met de veerboot kan men daar de Suriname- rivier oversteken. Hier ligt de plantage Voorburg.
(Onze West in beeld en woord, Fred. Oudschans Dentz en Herm. J. Jacobs. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1917)



Flarden
"Ik ben geboren in het district Commewijne. Sommige plantages van dit vruchtbare, ooit rijke Surinaamse district hadden betekenisvolle namen: Mon Souci, Mon Trésor, Wederzorg, Lust en Rust.
Ik kom van Nijd en Spijt.
De meeste plantages bestaan niet meer. Door de bewoners verlaten stortten de gebouwen ineen. De sluizen slibben dicht en de polders werden zwampen waarin kaaimannen broedden. De factorijen vielen ten prooi aan parasieten, onkruid en wurgende lianen. Langzaam werden ze door het oerwoud overmeesterd. Soms troont boven al die overwoekering een koningspalm. Of een haag van bloeiende koffiemamabomen wier beschermende schaduw ooit over een koffie-aanplant viel; getuigenissen van een vergane glorie.
Ik ben van Nijd en Spijt weggehaald toen ik vier, misschien vijf jaar oud was. Wat zich in mijn leven heeft afgespeeld voordat ik mijn verwanten moest verlaten om overgeleverd te worden als kweekje in de stad, zet zich voort in een onderwereld van schimmen en schaduwen. Niets is er tastbaar, maar de schimmen die in mijn dromen een stil leven leiden zouden wel eens kunnen staan voor een vader, een moeder, broertjes en zusjes."
(Maalstroom. Verhalen. Ellen Ombre. Amsterdam. De Arbeiderspers, 1992)
Ellen Ombre

Plantage Nyd & Spyt


Plantage Waterland Onderschrift bij ansichtkaart 1903: "Pina fu brede meki wi njan kasaba"



Plantage Frederiksdorp




Plantage Geertruidenberg



Plantage Alliance
"Op plantage Alliance, eveneens in het bezit van Wright, heerste daarentegen veel onvrede en wilden de vrijgemaakten niet werken. Wright had Alliance sinds korte tijd in bezit en wilde de plantage nieuw leven in blazen. De arbeiders kwamen van verschillende plantages en voelden nog geen verbondenheid met elkaar en de plantage, ook al omdat zij nog geen kostgronden hadden. Bovendien bleek de directeur, die de verwilderde plantage bestierde, niet welwillend te zijn en de arbeiders met weinig tact te behandelen. Wright wilde het liefst alle vijfhonderd vrijgemaakten aan het gouvernement overdoen, maar Van Lansberge wist hem daarvan te weerhouden. Wright bood de arbeiders daarop een contract aan, maar een deel van hen koos eieren voor zijn geld en verliet de plantage om elders te gaan werken."

(Op hoop van vrijheid; Ellen Klinkers. Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden. Utrecht: BSA deel 18. 1997)




"De planters van vroeger waren echte smulpapen en feestvierders. Zij hadden geregeld gasten.
Van allerlei werd een gelegenheid gemaakt om invitaties uit te zenden. Zoo werd overal in de moestuinen snijbonen geteeld. Vooral werd er vaak werk van gemaakt voor de Kerstdagen. 't Was nu onder heeren planters een wedstrijd wie tegen dien tijd 't eerst snijbonen uit zijn tuin zou oogsten. De gelukkige zond uitnodigingen aan buren en vrienden om bij hem snijbonen te komen eten. Een groot feest werd aangericht dat 3 a 4 dagen duurde en waarbij een weelde en overdaad te toon werden gespreid, als de planters van nu 't zich niet kunnen voorstellen.
De plantagewoningen waren niet zoo poover als thans gestoffeerd. Men vond overal kostbare meubelen, overvloed van zilverwerk, koperen vaatwerk, oud porcelein, fijn tafellinnen, enz. Voor het onderhouden van dit alles beschikte men over een groot aantal dienstboden. Op Zeezigt zorgde voor het huis van den directeur - die niet gehuwd was- een huishoudster, bijgestaan door niet minder dan acht meiden.
Als er gasten waren, dan hadden de opzichters 't zoo mogelijk nog royaler dan anders. 't Eenige waartegen zij bezwaar gevoelden, was dat zij tot middernacht op hun souper moesten wachten. Want tot uur bleef het gezelschap kaarten, waarna men aan tafel ging. Voor de blankofficiers was dat niet prettig, omdat zij den volgenden morgen weer vroeg op de been moesten zijn.

De rechte feesttijd was echter wanneer de Administrateurs op de plantages kwamen revideeren - dat was eigenlijk de plantages nazien: dat gebeurde minstens tweemalen in het jaar. Die groote heeren brachten allerlei fijne zaken mee: de directeur en de opzichters waren dan hunne gasten. Op bijna alle plantages stond er een afzonderlijke administrateurswoning, die door hen betrokken werd.
Kwam in den grooten drogen tijd de familie op de plantage logeeren, meestal met een groot gezelschap, dan werd aan het volk gedurende drie a vier dagen, en soms langer, feest gegeven.
Na afloop daarvan brachten de slaven bij wijze van dankbetuiging een groote hoeveelheid pluimvee en eieren voor den administrateur ten geschenke. Het geschenk werd genadiglijk aangenomen - maar niets daarvan zag de stad. Alles werd voor den directuer en de opzichters gelaten."

(Hoe de tijden veranderen; herinneringen van een ouden planter.
E.J. Bartelink. Paramaribo: H. van Ommeren, 1914)

Bethesda